parool.nl

             door Arie Storm - 11/9/2008
Het creëren van sfeer en het oproepen van een overtuigend decor zijn al vanaf haar debuut (Jacobi's tocht, 1986) sterke punten van Wanda Reisel. Er volgden nog de nodige stemmige titels, waaronder haar eerste roman, Het blauwe uur, en Witte liefde (2004). De laatste roman werd bekroond met de Anna Bijns Prijs (ik had toen zelf zitting in die jury, maar dit terzijde).

Hoewel het in haar proza lang niet altijd rozengeur en maneschijn is, zijn het toch boeken die het vermogen hebben je gelukkig te maken. Juist door die sfeer en dat decor. Je bent er als lezer in zekere zin even écht, in die wereld die wordt opgeroepen; misschien gaat het er niet altijd even prettig aan toe, maar je krijgt er toch een leven bij.

Die kracht van Reisel zit weer helemaal in Die zomer, haar nu net verschenen roman. De titel verwijst naar de zomer van 1970. Alleen al van het uitspreken van het jaartal 1970 word ik op de een of andere manier gelukkig. Dat is waarschijnlijk nostalgie of romantisering, maar Reisel is wel de schrijfster die dit gevoel kan aanwakkeren. En dat doet ze volledig in Die zomer.
Die kracht van Reisel zit weer helemaal in Die zomer, haar nu net verschenen roman. De titel verwijst naar de zomer van 1970. Alleen al van het uitspreken van het jaartal 1970 word ik op de een of andere manier gelukkig. Dat is waarschijnlijk nostalgie of romantisering, maar Reisel is wel de schrijfster die dit gevoel kan aanwakkeren. En dat doet ze volledig in Die zomer. 

Hoofdpersoon Dana Davidson, een meisje van zeventien, wordt onder andere effectief getypeerd door haar muzikale smaak: 'Ze draait Janis Joplin (...) en ze houdt van de Beatles én de Stones, wat volgens bepaalde types niet mag, van The Doors en Pink Floyd en Led Zeppelin en stiekem draait ze wel eens Françoise Hardy en France Gall, waar anderen van moeten kotsen.'
 

Het vierde hoofdstuk, getiteld Huis aan het park, vormt wat betreft het specifiek oproepen van die tijd een hoogtepunt. Dana keert na een mislukt avontuur in Parijs terug naar haar ouderlijk huis, 'dat met aristocratisch geduld op haar komst stond te wachten'.
Het is een groot herenhuis aan het Vondelpark, in Oud-Zuid. Er is niemand thuis en met Dana maken we een schitterende dwaaltocht door huis en tuin en vervolgens park. Heerlijk!
 

Maar ook in deze roman van Reisel is het niet één en al geluk wat de klok slaat. Terwijl verder iedereen in dit boek zich tamelijk onbekommerd lijkt onder te dompelen in die 'summer of love', houdt Dana enige afstand. Ze doet wel mee, maar met mate. Er sluipt ongemerkt de nodige tragiek in haar leven. Is het leven inderdaad wel één groot feest of zit het toch anders in elkaar? Ergens in deze roman staat een zin die begint met de opmerking dat een warme golf alles overspoelde, maar die constatering wordt direct gevolgd door een relativerend beeld: 'Een olieachtig glanzende, perfecte zeepbel dreef langs.' Ja, misschien waren die jaren zeventig inderdaad wel één gigantische zeepbel.
 

Er is ook een enorme sociale druk om mee te doen, ervaart Dana: 'Ze moest meedoen aan de ongeschreven wetten, ze kon het zich niet permitteren aan de kant te blijven staan kijken, ook al woonde zij, een heuse joodse prinses, in een paleis aan het park van deze magische stad...'
 

Dana is, en daar blijkt de vaardigheid van Reisel uit, voor deze roman de ideale hoofdpersoon: enerzijds maakt ze deel uit van de gebeurtenissen - ze is erbij betrokken - anderzijds houdt ze voortdurend een zekere afstand. En in die positie verkeert ook de lezer. Door de precieze beelden die Reisel aanbiedt, lijk je op te gaan in die tijd, maar tegelijkertijd kijk je er met een zekere verbazing naar. Het verleden blijft toch altijd een vreemd land, zoals L.P. Hartley eens schreef; ze doen de dingen daar anders. In de jaren zeventig deden de mensen de dingen werkelijk anders en Reisel laat dat door de ogen van die een tikkeltje afstandelijke hoofdpersoon fraai zien.
 

Rode draad in de roman, die het verder niet echt moet hebben van een adembenemende plot, is de vraag wanneer en door wie Dana zich zal laten ontmaagden. Dat lijkt een triviale kwestie in een wereld die van de onbekommerde seks aan elkaar hangt, maar in Die zomer voert die vraag via enkele omwegen (idealistische vriendjes, oversekste docenten) naar een enigmatisch slothoofdstuk.
 

Dana zoekt het erotische geluk uiteindelijk heel erg dicht bij huis in een onmogelijke, incestueuze liefde. Dat levert een ontroerend slot op. Het is alsof Reisel wil zeggen dat het verleden wellicht dichtbij en tastbaar lijkt te zijn, maar dat het onmogelijk en zelfs bijna verboden is er helemaal in op te gaan. Zoiets. Waarmee dit boek veel méér is dan een nostalgische trip; al moet ik toegeven dat ik geregeld het gevoel had er (weer) werkelijk te zijn, daar, in die zomer, in 1970. Dat is prachtig, maar je voelt je er inderdaad ook enigszins ongemakkelijk onder.

(ARIE STORM)
  
Website by JetNet - © Wanda Reisel 2012